x

Zoek resultaten

Loading...


Flowconditionering

 

Flowprofielen in pijpleidingen... Moeilijk tastbaar, nietwaar? Je voelt ze niet, je ziet ze niet, maar ze zijn er wel.

Vrijwel elke flowmeter is gevoelig voor het flowprofiel. De enige echte uitzondering is een PD-meter. Leveranciers van Coriolis massaflowmeters zwaaien ook met het voordeel dat dit type instrument geen rechte aanstroomlengtes nodig heeft, maar dat is niet altijd geheel juist. Voorbeelden van flowmeters waar het flowprofiel juist heel bepalend is voor de prestatie van het instrument zijn ultrasone flowmeters, en ook insteekbare instrumenten.

CPA 50E flowconditioner

Leveranciers nemen daarom in hun specificaties van hun flowmeter de minimale aan- en uitstroomlengtes op, doorgaans uitgedrukt in leidingdiameters. Dus als een instrument dat in een DN200-leiding 20D up- en 5D downstream nodig heeft, komt dat in de praktijk overeen met 4000 mm respectievelijk 1000 mm aan- en uitstroomlengtes. Minimale lengtes..... Méér mag altijd en is doorgaans ook zeer wenselijk. Dikwijls méér dan slechts wenselijk!

Indien een (Newtons) medium door een rechte leiding stroomt ontstaat na geruime lengtes een zg. ontwikkeld flowprofiel. Hét kenmerk van dat flowprofiel is dat dit flowprofiel niet meer verandert verderop in de leiding. Het profiel is wel symmetrisch, maar de vorm is niet bepaald door het feit dat het ontwikkeld is. Een (ontwikkeld) flowprofiel wordt beïnvloed door bochten, regelkleppen en afsluiters, reducers, thermowells, etc., etc. Pas na hele lange rechte lengtes ná deze appendages herstelt het flowprofiel zich weer.

De "problematiek" bij flowmeters is tweeledig: ten eerste is het instrument meer of minder gevoelig voor flowprofielen, en ten tweede... hoe is het instrument gecalibreerd?! Dat laatste is een volledig onderkend issue. De vraag is legitiem: hoe heeft een fabrikant het instrument gecalibreerd en welke referentiemeting is daarbij gebruikt? Zie verder bij calibratie.

Om een flowmeter beter te laten presteren kan een flowconditioner geplaatst worden. Deze poogt het flowprofiel zodanig te beinvloeden dat het flowprofiel "bekend" wordt. Dat kan een ontwikkeld flowprofiel zijn, of wellicht een vlak flowprofiel. Het resultaat is afhankelijk van welke flowconditioner gebruikt wordt. Het is belangrijk zioch te realiseren dat de verschillende fowconditioners dus ook een verschillend resultaat geven! Sommige flowconditioners verminderen de swirl, andere zorgen voor hevige turbulenties, waardoor het flowprofiel vervlakt.

Een goed verstaander leest hier dan ook dat je niet zó maar een flowconditioner kunt plaatsen met een gegarandeerde verbetering van het meetresultaat. Sterker: in ijkwaardige applicaties wordt vaak een flowconditioner gebruikt in de meetinstallatie die dan wel is "meegecalibreerd" met de flowmeter.

Bekende flowconditioners zijn de gatenplaten, zoals de CPA 50E (K-Lab design) de Zanker en Gallagher plaat. Deze gatenplaten worden tussen de flenzen geklemd en hebben betrekkelijk weinig invloed op de swirl maar zorgen wel voor een meer symmetrisch profiel. Een 19-inch tube bundle is een pakketje buisjes die in de lengterichting van de leiding geplaatst worden en die juist wel de swirl tegenwerken. Maar hebben betrekkelijk weinig invloed op de symmetrie van het flowprofiel. Een andere bekende flowconditioner is de Vortab. Voor grotere leidingen kan de contractietechniek een interessante optie blijken. Overigens, ook voor rechthoekige ducts (dikwijls rondom de ketels en incinnerators) zijn ook flowconditioneringsmogelijkheden.

Let dus op: het toepassen van een flowconditioner kan een goede beslissing zijn. De gekozen conditioner heeft een bepaald effect op de flowmeting en daar dient rekening mee gehouden te worden!

 
Flowconditionering